Logo

Login ID:
Password:
Forgot Password?
  Sign Up
  Forum
  Show Words
  Show Sentences
  Other Links
  Contact Us
List of Sentences

Wat is de betekenis van het leven?

What is the meaning of life?    [Explain]

De politie bevestigde vandaag dat 30 mensen waren omgekomen bij een aanslag met een autobom.

Today the police confirmed that 30 people were killed in a car bomb attack.    [Explain]

Ik heb een video geüpload die uitlegt hoe het werkt.

I have uploaded a video which explains how it works.    [Explain]

Het vliegtuig maakte een noodlanding.

The plane made an emergency landing.    [Explain]

Gisteren heeft hij zijn paspoort verlengd.

He renewed his passport yesterday.    [Explain]

Ze huilt iedere keer als ze over deze film praat.

She cries every time she talks about this movie.    [Explain]

De verwarming in mijn huis lekt.

The radiator in my house is leaking.    [Explain]

Mijn kat slaapt altijd bij de verwarming.

My cat always sleeps near the radiator.    [Explain]

Dit is een van de bekendste onopgeloste misdaden van de laatste eeuw.

This is one of the greatest unsolved crimes of the last century.    [Explain]

Iemand heeft mijn fiets gestolen.

Somebody stole my bicycle.    [Explain]

Hallo, hoe is het? Het gaat wel.

Hi, how are you? I am so-so    [Explain]

Ik ben 's avonds erg moe.

I am very tired in the evening.    [Explain]

Spreek je Engels?

Do you speak English?    [Explain]

Ik studeer in Nederland.

I am studying in the Netherlands.    [Explain]

Dit boek is erg interessant.

This book is very interesting.    [Explain]

Jij leert erg snel.

You learn very fast.    [Explain]

Deze leraar is erg streng.

This teacher is very strict.    [Explain]

De bagage is zwaar.

The luggage is heavy.    [Explain]

Mijn leraar is erg oud.

My teacher is very old.    [Explain]

Ik ga naar school.

I am going to school.    [Explain]

Waar woon je?

Where are you from?    [Explain]

Spreek je Nederlands?

Do you speak Dutch?    [Explain]

Ik woon in Nederland.

I live in the Netherlands.    [Explain]

Ik ben in Amsterdam geboren.

I was born in Amsterdam.    [Explain]

Ik ben leraar.

I am a teacher.    [Explain]

Ik leer veel op de universiteit.

I learn a lot at the university.    [Explain]

Ik ben twintig jaar getrouwd.

I have been married for twenty years.    [Explain]

Mijn broer is getrouwd.

My brother is married.    [Explain]

Ik lees een boek.

I am reading a book.    [Explain]

Ik werk in een bank.

I work in a bank.    [Explain]

Wil je met me naar de bioscoop?

Do you want to go to the cinema with me?    [Explain]

Hoe oud ben jij?

How old are you?    [Explain]

Ik leer Nederlands.

I learn Dutch.    [Explain]

Ik ben twintig jaar.

I am twenty years old.    [Explain]

Ik heet Sanne.

My name is Sanne.    [Explain]

Ik heb nu veel honger.

I am very hungry now.    [Explain]

Dit was onze grootste uitdaging.

This has been our biggest challenge.    [Explain]

Ik mis je.

I miss you.    [Explain]

Ik hou van jou.

I love you.    [Explain]

Hij heeft een nieuwe auto gekocht.

He bought a new car.    [Explain]